Wie is de ware Jeremia? Verschillen tussen Jer. 32 volgens MT en LXX

 

Inleiding: een gelaagde tekst

Achter het boek Jeremia en hoofdstuk 32 gaan spanningen schuil tussen verschillende groepen Judeeërs. Als gevolg van de Babylonische overheersing waren de Judeeërs verdeeld in degenen die achterbleven in het land, degenen die naar Babel waren weggevoerd – van wie sommigen na een paar generaties terugkeerden naar het land – en vluchtelingen naar bijvoorbeeld Egypte. Met name tussen terugkeerders en achterblijvers in het land ontstonden spanningen over de vraag wie nu het ware volk van God was, en aan wie het land toebehoorde.

Hoofdstuk 32 gaat over God, land en volk, en bevat verschillende perspectieven die betekenis geven aan het verhaal van Jeremia’s aankoop van een stuk land in gebied dat door de Babyloniërs bezet is (Jeremia 32:6-13). In de verzen 14-15 en 43-44 wordt de aankoop economisch geduid. In het eerste geval zal het leven doorgang vinden in het gebied van Benjamin, wat erop duidt dat we hier met de stem van de achterblijvers te maken hebben, in de verzen 43 en 44 wordt datzelfde perspectief toegepast op een veel groter gebied, en is die toekomst alleen voor degenen die terugkeren uit Babel. De verzen 36-41 bevatten een perspectief dat voorbij de controversen tussen achterblijvers en terugkeerders reikt. Ik beschouw die verzen als de laatste laag van de tekst. De masoretische eindgestalte van de tekst richt de aandacht van de lezer juist op deze verzen. Het is een visie op de toekomst geschilderd in verheven religieuze taal, die de ervaring suggereert dat niet alles pais en vree was na de terugkeer. Ballingschap werd geherdefinieerd als weg zijn van God – het was dus mogelijk om in het land te zijn, en toch in ballingschap.

In mijn dissertatie ga ik uitgebreid in op de spanningen tussen verschillende groepen Judeeërs en de resten daarvan die zichtbaar zijn in de tekst. In dit artikel ga ik in op de vraag hoe twee verschillende versies van dit hoofdstuk, de Griekse traditie van de Septuaginta (LXX) en de Hebreeuwse masoretische traditie (MT), dit gelaagde hoofdstuk duiden. Ik ga er daarbij van uit dat de toch al complexe tekst van Jeremia zich in verschillende richtingen heeft doorontwikkeld. Ik spreek daarom van de doorgaande Jeremiaanse traditie, waarin zich steeds nieuwe betekenissen ontwikkelen.

 

Verschillen volgens de LXX en de MT in het boek Jeremia1

Dat de Griekse versie en de Hebreeuwse versie van Jeremia van elkaar verschillen is niet bijzonder: iedere vertaling is anders dan het origineel, maar in dit geval ligt de zaak nog anders. In de eerste plaats is de relatie tussen de MT en LXX niet zomaar die tussen origineel en vertaling – dan zou je bijvoorbeeld verwachten dat de Griekse tekst langer is, en dat is juist niet het geval. Het lijkt erop dat de Griekse tekst is vertaald op basis van een Hebreeuwse tekst (de zogenaamde Vorlage, LXXV) die anders is dan de Hebreeuwse tekst die we nu hebben.2 Bijzonder aan het boek Jeremia is dat het proces van tekstdoorgave al begon toen het proces van tekstontwikkeling nog in volle gang was. Kennelijk representeren de Griekse en de Hebreeuwse tekst twee verschillende routes die de traditie is gegaan. Die ingewikkelde geschiedenis van tekstontwikkeling en tekstdoorgave heeft niet geresulteerd in twee gladgestreken versies, maar in twee teksten met oneffenheden en struikelblokken, maar ook met een eigen kijk op het hoofdstuk.

Ik wijs eerst de voornaamste verschillen in de tekst aan. Daarna ga ik in op wat dit betekent voor mijn visie op religieuze traditie en onze eigen rol daarin.

 

Verschillen in structuur

In vers 1 wordt een woord van God aangekondigd. De twee versies verschillen in wat gepresenteerd wordt als de vervulling van dit woord van God. Verbonden met dit verschil in structuur zijn een aantal inhoudelijke verschillen.

MT LXX
1 ha-davar ’asjèr-hajah èl-jirmejahoe mee’eet jhwh ho logos ho genomenos para kurioupros Ieremian
6 wajjomèr jirmejahoe hajah devar-jhwh ’elaj lemor kai logos kuriou egenêthê pros Ieremian legôn
26 wajhi debar-jhwh ’èl-jirmejahoe lemor kai egeneto logos kuriou pros me legôn

 

De structuur van de Griekse tekst is eenduidig: in vers 6 wordt het woord opnieuw aangekondigd; weer is daar de verteller aan het woord. In vers 7 volgt het eigenlijke Godswoord: Jeremia’s neef Chanamel zal hem een stuk land te koop aanbieden. Vervolgens ontvouwt zich het verhaal van de aankoop in de verzen 8-44. Het is gegoten in de vorm van een gesprek tussen de profeet en God. Vreemd is wel dat in vers 8 Jeremia zonder nadere aankondiging aan het woord komt.

De structuur van de MT is complexer. Hier moet de lezer tot vers 26 wachten op het woord van God: in vers 6 is Jeremia namelijk aan het woord, pas in vers 26 herneemt de verteller vers 1. Wat de structuur betreft vormen de verzen 2-25 een uitgebreide inleiding, maar inhoudelijk vormen de verzen 26-44 een antwoord op Jeremia’s gebed in de verzen 16-25. Binnen de verzen 26-44 ligt het accent op de verzen 36-41, in de MT is dat nog sterker dan in de LXX.

De structuur van beide teksten is als volgt:

 

secties Jeremia 32 (MT) secties Jeremia 39 (LXX)
1          opschrift:aankondiging woord van God2-5       introductie6-15     verhaal: aankoop van het land16-25   gebed

26-35   antwoord van God

36-42   antwoord van God, deel II

42-44   profetie van goede dingen

1          opschrift:aankondiging woord van God2-5       introductie6-7       woord van God8-44     nadere ontvouwing van het woord:

Jeremia’s verhaal van de aankoop

en de daaropvolgende gebeurtenissen

 

Het verschil in spreker in vers 6 – in de MT is Jeremia spreker en in de LXX de verteller – is verbonden met andere verschillen in de verzen 4, 5 en 6. Om te beginnen treffen we in de MT een plus4 aan (onderstreept in de tekst) :

 

MT LXX
4 we tsidqijahoe mèlèch jehoeda lo jimmaleet kai Sedekias ou mê sôthêi
5 oevavèl jolik ’èt-tsidqijahoewesjam jihjèh‘ad-poqdi otoneoem-jhwhki tillochamoe èt-ha-kasdim

lo tatslichoe

kai eiseleusetai Sedekias eis Babulôna kai ekei kathieitai
6 wajjomèr jirmejahoehajah devar-jhwh ’elajlemor kai logos kuriou egenêthê pros Ieremianlegôn

 

De plus bestaat uit twee delen: ‘totdat ik acht op hen sla, spreekt God’ en ‘als jullie vechten tegen de Chaldeeën, zullen jullie niet slagen’. Eén mogelijkheid om de plus te verklaren is parablepsis in de LXXV: het oog van de kopiist versprong van jihjèh in vers 5 naar een woord in vers 6 dat er bijna hetzelfde uitziet, , zodat de woorden ertussen zijn weggevallen.5 Deze onachtzaamheid leidde tot een keten van wijzigingen: de vertaler zag zich geconfronteerd met een merkwaardige tekst: wesjam-jihjèh devar-jhwh elaj. De vertaler heeft zijn6 best gedaan er een begrijpelijke tekst van te maken: hij voegde kathieitai toe7 en las elaj, ‘tot mij’, als afkorting van ‘tot Jeremia’. Vervolgens wilde de vertaler wel zichtbaar maken dat de Hebreeuwse formule die hij voor zich zag om het woord van God te introduceren, uniek was. Hij koos dus voor een evenzeer unieke woordvolgorde in het Grieks.8

Een andere optie om de plus uit te leggen – die ik verkies – is om die te zien als een bewuste uitbreiding in de Hebreeuwse tekst. Deze verklaring is meer inhoudelijk: de plus gaat in op het lot van Sedekia en adresseert een niet nader geïdentificeerde groep (‘jullie’, vers 5). Van Sedekia wordt gezegd dat hij in Babel zal blijven ‘tot ik acht op hem sla (poqdi)’. Vergelijking met Jeremia 34[LXX 41]:1-5, een introductie die sterk op 32:1-5 lijkt, wijst erop dat dit een toevoeging is. In hoofdstuk 34 wordt een ironisch en negatief beeld geschetst van koning Nebukadnessar: de opmerking dat Sedekia zal sterven in vrede moet gelezen worden als een heavily ironic proclamation to Zedekiah that he will not die in the military conflict […] but will instead be treacherously murdered by Nebuchadnezzar.9 De MT schetst Nebukadnessar elders juist als dienaar van God.10 De toevoeging ‘totdat ik acht op hem sla’ in hoofdstuk 32 is bedoeld om Nebukadnessar te rehabiliteren.

Ook de weergave van pqd in de LXX in hoofdstuk 32 wijst erop dat het om een redactionele toevoeging in de MT gaat. Normaal gesproken is de Griekse weergave episkepsomai. Verrassend genoeg vinden we dit werkwoord wel in vers 41 van de LXX. Het Hebreeuws heeft daar een woord dat niet overeenkomt: sws, ‘zich verheugen’. Het is mogelijk de oorspronkelijke lezing in de MT pqd was, maar dat een redacteur van MT pqd heeft gewijzigd in sws nadat vers 5b was toegevoegd: pqd was toen te ambigue geworden. De oudere lezing van vers 41 is bewaard gebleven in de LXX.

Het tweede deel van de plus in de MT heeft een adressant die in de LXX niet voorkomt: een niet nader geïdentificeerde jullie-groep (‘als jullie vechten tegen de Babyloniërs, zullen jullie niet slagen’). Inhoudelijk past deze plus bij de genuanceerde presentatie van Nebukadnessar in de MT: God heeft tenslotte de Chaldeeën gezonden. Het is daarom beter de vreemde macht tegemoet te komen dan hen te bevechten.

Deze adressant speelt een belangrijke rol in de MT: ook in de verzen 36 en 43 wordt de jullie-groep sprekend opgevoerd en aangesproken. In de LXX gaat het hier steeds over Jeremia. Ook in vers 25 voert de LXX Jeremia nadrukkelijker op, en in vers 44 in de LXX is Jeremia de handelende figuur, terwijl in de MT het kopen, schrijven, verzegelen en getuigen algemene handelingen zijn. Door het aanspreken van een groep die als het ware buiten de tekst valt, creëert de MT de mogelijkheid van een nieuwe identiteit, die voorbij de ballingschap ligt. Op deze manier bewerkstelligt de MT dat de lezer zelf zich aangesproken voelt. De profeet verdwijnt in feite uit beeld.

 

MT LXX
1 Het woord dat tot Jeremia kwam van God Het woord dat van God kwam tot Jeremia
5 Naar Babylon zal Sedekia gebracht worden en daar zal hij zijntotdat ik acht op hem sla – spreekt Godals jullie (niet-geïdentificeerde groep) vechten tegen de Chaldeeën, zullen jullie niet slagen En Sedekia zal Babylon ingaanen daar zal hij zitten
6 en Jeremia zei:het woord van God kwam tot mijzeggende: enhet woord van God kwam tot Jeremia zeggende:
8 En Chanamel kwam naar me toe En Chanamel kwam naar me toe
25 ‘Koop voor jezelf het veld voor geld en laat getuigen getuigen.’ ‘Koop voor jezelf het veld voor geld.’En ik schreef een boek En verzegelde heten liet getuigen getuigen.
26 En het woord van God kwam tot Jeremiazeggende: En het woord van God kwam tot mijzeggende:
36 ’èl-ha-‘ir ha-zot asjèr ’attèm ’omrimnittenahde stad waarvan jullie (meervoud, niet-geïdentificeerde groep) zeggen:‘Zij is gegeven [….]’                         epi tên polin hên su legeisparadothêsetaide stad waarvan jij [enkelvoud, Jeremia] zegt:‘Zij zal worden gegeven […]’
37 mikol-ha-’aratsotuit alle landen ek pasês tês gêsuit het hele land
4344 ba-’arèts ha-zot asjèr attèm ’omrimIn het land waarvan jullie [mv, niet-geïdentificeerde groep] zeggen:Velden zullen met geld gekocht wordenen een boek geschrevenen verzegeld

en getuigen zullen getuigen

 

en têi gêi hêi su legeisIn het land waarvan jij [ev, Jeremia] zegt:Velden zullen met geld gekocht wordenen jij zult een boek schrijven

en het verzegelen

en getuigen laten getuigen

 

In de Griekse tekst verloopt de identificatie juist via Jeremia: hij is een modelfiguur met wie de lezer zich kan identificeren. De profeet krijgt hier de rol van notaris die garant staat voor de juiste gang van zaken bij de aankoop van land. Zo wordt hij een exemplarisch figuur in de omgang met de uitdagingen van de post-exilische periode.

 

Deel uitmaken van de Jeremiaanse traditie

De verschillende stemmen in de tekst en de verschillen tussen de MT en de LXX maken duidelijk dat de Jeremiaanse traditie een meerstemmige traditie is die zich voortdurend ontwikkelt. Een concept als de originele tekst is hier niet bruikbaar: het is niet te zeggen of de MT of de LXX meer origineel is, en het is bovendien de vraag of het relevant is. We hebben te maken met een traditie die zich nog steeds ontwikkelt: ook hedendaagse lezers zijn uitgenodigd met de tekst in gesprek te gaan. Het concept van doorgaande traditie maakt bijbellezen erg spannend: je kunt niet zomaar een stem uit de traditie selecteren en die uitroepen tot dé stem. De traditie is niet normatief en prescriptief – ze geeft geen kant-en-klaar recept voor hoe om te gaan met vragen rondom religie en conflict. Eerder is ze descriptief: de traditie wijst ons erop dat land, God en identiteit ertoe doen.

Identiteit is open en vloeibaar, maar als mensen en bijbellezers hebben we vaak de behoefte precies vast te leggen wie we zijn, en wie we niet zijn. Vandaag de dag leiden we enigszins aan identiteitsovergewicht. Het is heilzaam te ontdekken dat wat ons kenmerkt – ambivalentie, gelaagdheid en de neiging soms onze hakken in het zand te zetten – ook de teksten kenmerkt. Ik pleit voor een erkenning van veelstemmigheid en een omgang met de traditie die zoekt naar verborgen stemmen, zoals die van de achterblijvers in het land in de tekst. De Jeremiaanse thema’s zijn ook nu nog zeer relevante thema’s, niet alleen in Israël en Palestina, waar ik deze tekst met joodse Israëliërs en christelijke Palestijnen heb gelezen, maar ook in onze eigen context. Op welke manieren zijn wij verbonden met de plek waar we vandaan komen en waar we wonen? Ook in onze context zijn er verborgen stemmen. Hoe inclusief of hoe exclusief denken ‘wij’ over wie ‘wij’ zijn en wie ‘zij’ zijn? Wat zegt bijvoorbeeld Fort Europa over onze ideeën over identiteit?

 

Noten

1          Als gevolg van een andere volgorde van de hoofdstukken is hoofdstuk 32 in de MT hoofdstuk 39 in de LXX.

2          In feite zijn zowel de MT als de LXX in zichzelf divers. Deze varianten laat ik buiten beschouwing.

3          Binnen de verzen 26-41 wordt de verwachting van de lezer nog verhoogd door we‘attah lacheen in vers 36. Lacheen is niet weergegeven in de LXX. De combinatie komt verder alleen voor in Jeremia 42:15, daar heeft de LXX alleen dia touto. Dit suggereert dat de redacteur van de MT lacheen heeft toegevoegd om extra nadruk te geven aan deze sectie.

4          Een plus in de MT wil zeggen dat de MT een element bevat dat in de LXX niet is weergegeven. Bij een plus in de LXX is dat andersom. In het boek Jeremia treffen we de meeste plussen in de MT aan. Een plus kan duiden op een verschil tussen de MT en de Hebreeuwse tekst die de basis vormde van de LXX, maar ook op een vergissing of bedoelde wijziging door de vertaler. Tot slot kan de plus verklaard worden door een ontwikkeling in de doorgave van de Hebreeuwse dan wel de Griekse tekst – er kunnen een paar woorden zijn weggevallen, of er kan bijvoorbeeld ter verklaring iets zijn toegevoegd.

5          Andrew G. Shead, The Open Book and the Sealed Book. Jeremiah 32 in its Hebrew and Greek Recensions, Sheffield 2002, 102-103.

6          Ik ga ervan uit dat het onwaarschijnlijk is dat er vrouwen hebben meegewerkt aan de totstandkoming van de tekst.

7          Kathieitai, ‘zitten’, is een onwaarschijnlijke weergave van jihjèh. De vertaler heeft mogelijk het werkwoord kathizô aangevuld zodat jhjh begrijpelijk werd.

8          Kai egeneto/egenêthê logos kuriou is de normale volgorde in het Grieks. De vertaler heeft hier het werkwoord verplaatst om duidelijk te maken dat de Vorlage bijzonder was.

9          Carolyn Sharp, Prophecy and Ideology in Jeremiah, Londen 2003, 136-140.

10         De titel ‘mijn dienaar’ voor Nebukadnessar treffen we alleen aan in de MT van Jeremia, namelijk in Jeremia 25:9, 27:6 en 43:10.

 

afbeelding: Jeremia treurt over Jeruzalem, Rembrandt van Rijn (Rijksmuseum Amsterdam)

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *