De mythe voorbij: de vloeibare tradities over Jezus

Soms heb je dat je ergens ‘ja’ tegen zegt, en dat je daarna denkt: wacht eens even, wil ik daar wel zijn? Heren, vrouwen bestaan niet enkel ter decoratie, noch is hun voornaamste doel het aanbrengen van franje bij uw overpeinzingen. De ochtend wordt gevuld door drie oude mannen, ‘s middags mogen twee, eveneens witte, dames eventjes. Tja, dat gaat natuurlijk niet heel spannend worden, op mijn panties na dan.

Daar komt nog bij: van vragen rondom de historische versus de mythische Jezus gaan mijn sappen geenszins stromen. De jaren ’80 zijn reeds enige tijd voorbij, de vragen zijn veranderd. Kom ik hier dan om stekeligheden uit te delen, en u tegen mij in het harnas te jagen? Een beetje wel, ja.

Ik doe dat in drie punten – waarmee ik meteen mijn Gereformeerde wortels prijsgeef. In de eerste plaats bespreek ik een paar oubollige tegenstellingen waar we van af moeten. Daarna vertel ik hoe ik Jezus in preken ter sprake breng, en tot slot vertel ik iets over lichaamssappen, specifiek die van Jezus. Lichaamssappen symboliseren in dit verhaal levende, stromende traditie, tegenover gestolde, gesloten traditie.

Schijntegenstellingen

De eerste schijntegenstelling is die tussen orthodox en vrijzinnig. Traditie is in beweging, dat is meteen ook ongeveer het enige dat er niet aan verandert. Orthodox is je geloofwaardig verhouden tot die rijke, beweeglijke traditie. Je religieuze leven vorm geven op een manier die de boel levend houdt. Derhalve beschouw ik mezelf als uiterst orthodox. Dat geeft me eerder de ruimte voor nieuwe perspectieven, dan dat het me bindt aan een bepaalde tot normatief verheven stand van zaken op een bepaald moment in de geschiedenis.

Dan de tegenstelling tussen de oubollige bijbel en ons verlichte verstand. Het lijkt soms alsof we denken dat de vele handen die hebben bijgedragen aan de serie boeken die nu de bijbel vormen toebehoorden aan vrome, simpele zielen die niet beter wisten dan dat ze Gods eigen dagboekje bij elkaar schreven. Dat lijkt me niet correct. Uit de boeken die nu de bijbel vormen, spreekt vertelplezier, kennis van de traditie, een doorleefde, speelse, creatieve, transformatieve, soms ook rebelse houding ten opzichte van al bestaande teksten en overleveringen. Om Jeremia als voorbeeld te nemen: de samenstellers vonden het geen punt een veelstemmig boek af te leveren met daarin onenigheid en strijd. De Tenach is daarbij bepaald geen op zichzelf staand eiland van onbevlekte Israëlitische en Judeese vroomheid: de religieuze diversiteit werd gevoed door de andere religieuze tradities van de streek. Er is geen pure, zuivere kern in godsdienst die kan worden losgemaakt van latere ‘vervuilende’ aanhangsels – noch in de religieuze voorstellingen van de Judeeërs, noch in de jodendommen en christendommen die de wereld rijk is. De tradities van het Oude en het Nieuwe Testament zijn alle syncretistisch. Een opgaande lijn in de richting van grotere zuiverheid, culminerend in Jezus, ontwaar ik overigens ook niet.

De auteurs van het Nieuwe Testament modelleerden Jezus naar teksten uit de Tenach. Dat was vroomheid, ongetwijfeld, maar van het poëtische, soort. Bovendien: de christelijke belijdenis van Jezus als het vleesgeworden woord geeft ruimte voor een fysieke omgang met de teksten. De traditie doet helemaal niet moeilijk over verbeeldingskracht. De traditie is verbeeldingskracht, strijd, onenigheid, creativiteit. De historiografische eisen die wij aan de teksten zijn gaan stellen, zie ik als typisch protestantse (on)hebbelijkheid. Het is evengoed overcompensatie om alles tot mythe te verklaren.

Dat brengt ons op de tegenstelling tussen ‘mythe’ en ‘echt’. We zijn door mythen omgeven. Wat versta ik dan onder mythe? Een mythe is niet zozeer een verhaal dat niet waar is, maar een verhaal dat we vertellen om zin te geven aan de ervaringen van ons leven. Een mens kan niet leven zonder betekenis. Wij vertellen verhalen over onszelf. Laatst gaf ik een lezing over Jeremia, en een bezorgde meneer vroeg hoe we dat nou moeten lezen, als er staat dat God spreekt. Ik legde iets uit over de verschillende perspectieven in die tekst, en dat God in elk van die perspectieven als narratieve figuur optreedt. Achter zo’n ‘God spreekt’ kun je je niet verschuilen als achter De Waarheid. Je kunt wel in gesprek met de tekst, je eigen perspectief toevoegen. Verschrikt riep een dame: ‘Dus het is allemaal dikke duim?’ Nee, het zijn levensverhalen, van echte mensen, en hun worstelingen. Slagen we er niet in betekenis te geven aan wat we meemaken, dan kwijnen we weg. Die verhalen zijn van levensbelang. Verbeelding, creativiteit en betekenisgeving zijn goddelijke geschenken die soms in de protestantse exegese nogal in de verdrukking zijn geraakt, ten gunste van een houterig speuren naar het ‘echte’.

Betekent dat dat er geen historische Jezus is geweest? Dat is de minimalistische vraag naar of er echt een Jezus van Nazareth heeft geleefd, waarnaar de overleveringen op de een of andere manier verwijzen. Waarschijnlijk wel, hoewel er geen waterdicht bewijs voor is. De vraag naar wat we van de historische Jezus van Nazareth kunnen weten is veel ingewikkelder.

Natuurlijk is Jezus een mythische figuur. Verschillende mythologieën hebben die figuur gevoed: Babylonische, Assyrische, Egyptische, Israëlitische, Judeese. Wat zou Jezus anders zijn? Jezus is opgebouwd uit de beelden die beschikbaar waren, zoals wij onze Jezus opbouwen uit onze beelden.

Dat mensen in de kerk een historische figuur voor ogen hebben die kunstjes doet, is een ander probleem. Dat, vakgenoten, komt door ons. We moeten kennelijk ons werk beter doen. Ik versta dat werk – op de preekstoel- als: mensen, inclusief mezelf, instaat stellen zich te verbinden met de tradities op een zinvolle manier. Dat vraagt inzicht in die tradities. Licht de mensen in, over de aard van de teksten die we lezen. Wees niet zo zenuwachtig over hoe de mensen zullen reageren. Sommige mensen zijn er blij mee, anderen vallen van hun stoel, sommigen vond het zo zo, anderen hebben een kwartiertje prettig in hun eigen binnenwereld vertoefd. Eigenlijk net als altijd. Vragen naar wel en niet historisch, leiden die niet vooral de aandacht af van veel wezenlijker thema’s – namelijk over hoe diepgaand wij ons wel en niet met de werkelijkheid verbinden?

De preekstoel

Wat doe ik, op de preekstoel? Ik probeer mezelf en mijn toehoorders ertoe te verleiden mee te doen in de traditie. Preken vormen wat mij betreft het speelterrein van de traditie, niet descriptief, maar opruiend. Zo nukkig, gevaarlijk, schurend en schunnig als de christelijke tradities zouden ook preken moeten zijn. Niet for the fun of it, maar omdat onze levens ook zo zijn.

Wat me opvalt vandaag: we hebben het over de historiciteit van Jezus, maar we voeren dit gesprek alsof we zelf a-historische wezens zijn. Het lijkt mij nogal belangrijk te spreken over de historiciteit van onze beelden van Jezus. Met historie heeft het weinig te maken, maar het dominante beeld van Jezus is nog steeds dat van een witte, heteroseksuele man. Ook op de preekstoel.

Lang hebben wij Jezus verbeeld als een witte, heteronormatieve, patriarchale man, en erg bevrijdend was dat niet. Integendeel, dat gestolde beeld heeft een rol gespeeld in koloniale ondernemingen, slavenhandel, racisme en andere vormen van uitsluiting en uitbuiting. Een dergelijke Jezus, en dat geldt ook wel voor de wat brave, afstandelijke discussies over de historische Jezus, waarin wijzelf buiten schot blijven, maar bestaande machtsverhoudingen worden gereproduceerd, is gestolde traditie. Gestolde traditie daagt niet uit, prikkelt niet, brengt ons niet op andere ideeën, bevrijdt niet. Het is te af, te netjes, het klopt te veel met wie het in de wereld toch al voor het zeggen hebben.

Lichaamssappen en bevrijding

Wat ik nog wel over de historische Jezus durf te zeggen: die was, tijdens zijn leven, radicaal, grensoverschrijdend, verrassend, ruimte-gevend. Zijn woord wil deze wereld omgekeerd. In het Engels: Jezus is queer. Queer – dat is ‘deze wereld omgekeerd’ toegepast op ons lichaam en onze identiteit.

Voor mij gaat religie over bevrijding, en dat betekent ook bevrijding uit benauwende, impliciet dan wel expliciet vastgelegde hokjes. Theologie, als reflectie op religie, zou moeten reflecteren op processen van onderdrukking en van bevrijding. De manieren waarop Westerse christelijke ideeën hebben bijgedragen en nog steeds bijdragen aan onderdrukking, ontgaan ons voor een groot deel. Ik ben de laatste tijd bezig met ‘indecent theology’. Dat is theologie die zich er tegen verzet dat seksualiteit uit de theologie is gehaald. Het gaat wel eens over seks, maar dan over een nette, overzichtelijke abstractie. Over de seksualiteit die toch al dominant is onze samenleving: masculien, heteroseksueel. Vrouwelijke seksualiteit is afwezig: Maria is de ideale vrouw, en zij wordt voorgesteld als maagd. Theologie is altijd ook een seksuele activiteit. Er loopt iets scheef als lichamen onzichtbaar blijven in verhalen over bevrijding. Dan wordt het heterosexuele, mannelijke perspectief dominant.

Dat brengt ons, tot slot, op het thema lichaamssappen. In tradities rondom Jezus, bijbels en buitenbijbels, zijn ze rijkelijk aanwezig: Jezus geneest met spuug, huilt tranen, bloed en water stromen uit zijn zij, in de traditie is hij de melkgevende moeder en produceert zijn erecte lid na de opstandig sperma, zodat buiten twijfel is dat alles weer functioneert. Het zijn zowel lichaamssappen die worden verbonden met mannelijke (sperma) als met vrouwelijke lichaamsfuncties (melk, en ook water en bloed). Niet dat sappen per se levengevend zijn. Juist racistische retoriek, ook christelijke racistische retoriek maakt gebruik van bloed, dat dan zuiver moet zijn, van vreemde smetten vrij. Deze lichaamssappen zijn daarentegen gemengd, dubbelzinnig en niet altijd stabiel: in bijbelse tradities wordt water bloed en bloed weer water. Dat water en dat bloed – het stroomt, het is niet gestold. Het is ongemakkelijk ook, vreemd, en daagt ons uit. Dat kunnen wij wel gebruiken ook. De discussie over de historiciteit van Jezus is me te veilig. Het gaat te weinig over ons, onze lichamen, geschiedenissen, verantwoordelijkheden. Het lichaam van Jezus is een lichaam dat uitdaagt. Ik moedig u hierbij aan om deel uit te maken van die traditie.

 

Bijdrage aan het symposium ‘Jezus: mythe, mens, dogma’, in de Bergkerk in Amersfoort, op vrijdag 12 februari 2016. 

 

2 comments

  1. Beste Janneke,

    wat een prachtig artikel. Als orthodox, want ‘vrijgemaakt-katholiek’ kan ik me er geweldig in herkennen.

    Zie onder een stukje van mijn verhaal. Je column Angst en overgave d.d. 1-08-2017 in ND sprak me zeer aan: Met name de zin “De radicalisering die voortkomt uit woede en angst, is een probleem van onze eigen samenleving.”. Het ND heeft o.a. mijn bijdrage op het congres over orthodoxie en fundamentalisme van vorige week aangehaald (ik bekritiseerde de gezapigheid op een voor sommige wat te heftige manier). Het lezen van de bijdrage van jou sterkt me in de overtuiging dat verzet tegen het gezapig, braaf elkaar vertellen van ‘wetenswaardigheden’ niet genoeg is om het thema van orthodoxie, fundamentalisme en extremisme te lijf te gaan. Een meer existentiële inzet lijkt me vereist.
    Men spreekt wel over een biografisch-narratieve benadering van bijv. het onderwijs, maar er zijn maar weinig mensen die zich diepgaand durven te analyseren, laat staan daarmee naar buiten durven treden.

    Hartelijke groet, Bill Banning

    Hieronder een stukje van mijn lichaam:

    Opnieuw betoverd!
    Van fanatiek katholiek naar liberaal; van Rolduc via Amsterdam naar Tilburg, van kerk naar onderwijs.

    Dr. Bill W.J.M. Banning – theoloog en onderwijspedagoog; werkzaam als leraar OMO en identiteitsbegeleider SCALA Heusden

    “In mijn eindexamenjaar (najaar 1976) bezorgde ik mijn ouders een enorme schok: hun zoon vertelde ineens dat hij priester wilden worden. En nog wel op het als oerconservatief bekendstaande Groot-Seminarie Rolduc van bisschop Gijsen, op een moment dat de polarisatie hoogtij vierde in katholiek Nederland (Rome had Gijsen en Simonis benoemd om de orthodoxie te herstellen). Terugkijkend had ik wel iets van een jihadist: ik was er fel van overtuigd de Nederlandse kerk van de ondergang te moeten redden. Fysiek geweld was niet aan de orde, verbaal geweld eerlijk gezegd wel. Er schuilde een zekere Saulus-woede in me om de orthodoxie te redden. Maar die vorm van orthodoxie was toch enigszins fundamentalistisch, achteraf gezien.

    Regelmatig heb ik me afgevraagd hoe ik zo fanatiek katholiek heb kunnen worden; een vraag die ik ook zou willen stellen aan de jonge jihadisten die naar Syrië vertrokken zijn. Voor mezelf denk ik het volgende. Van jongs af aan heb ik een intense religieuze belangstelling gehad. Dat uitte zich in het graag naar de kerk gaan, maar ook in het eindeloos lezen in een oud boekje dat ik in een kast van mijn vader had gevonden: Handboek voor den katholieken man uit 1935 . Ik vond het prachtig. Eerlijk gezegd kon ik toen nog geen onderscheid maken tussen de tijdgebonden inzichten en de teksten van meer blijvende waarde. Het maakte me niet uit, want ik vond alles prachtig. Het stuk apologie van de kerk, te weten dat de Kerk in de geschiedenis weliswaar fouten had gemaakt, maar toch ook heel veel goeds had voortgebracht, sprak me erg aan.
    Maar vooral de gebeden: de psalmen, de misgebeden, de dagelijkse gebeden, de gebeden van geloof, hoop en liefde, het gebed om volmaakt berouw, het engel des Heren en het gebed van mijn beschermengel. Dit was echter een eenzaam avontuur, want ik deelde dit met niemand. Mijn omgeving had geen oog (meer) voor de spirituele dimensie van het bestaan. Later zou ik ontdekken dat een zakelijk-instrumentele benadering voor veel mensen dominant was (een droom wees me daar in beelden al op). Kortom, het was de tijd van de ont-tovering.
    Toen deze verborgen onderstroom zich vertaalde in de wens om priester te worden, sloeg dit dan ook in als een donderslag bij heldere hemel. Het on- en wanbegrip dat ik in mijn omgeving ontving, sterkte me alleen maar meer in mijn overtuiging dat Nederland hopeloos verloren was. En dat ik geroepen was om daar wat aan te doen. Ouders van een toenmalige vriend hebben me toen met bisschop Simonis en Gijsen in contact gebracht. Voor mijn ouders was dat een klap in het gezicht. Toen ik vervolgens aangaf naar Rolduc te willen sloeg de schrik hen helemaal om het hart. Voor wie die tijd niet meegemaakt heeft, zal het moeilijk te begrijpen zijn hoe heftig dat was. Uiteindelijk stemden mijn ouders met tegenzin in, ze konden weinig anders, want ik zou en moest dat doen. Wel was de sfeer de jaren daarop altijd (zwaar) beladen, zeker als er weer eens een kerkelijke rel uitgebroken was. Mijn heftige manier van discussiëren toentertijd heeft, eerlijk gezegd, ook niet bepaald bijgedragen aan een meer harmonieuze dialoog. Zelfs Gijsen en Simonis vonden me op het einde van mijn studie te fel, zodat ik – ondanks de beste studieresultaten van mijn jaar – niet werd toegelaten in het pastorale stagejaar (terwijl een aantal vroom-brave studenten met hopeloze studieresultaten wel toegang kreeg). Hier ontstond een eerste barst in mijn hyper-orthodoxe huid.

    Inmiddels ben ik veertig jaar verder en een zeer liberale katholiek geworden. Met nog steeds een voorliefde voor de katholieke traditie met haar heiligen en diepzinnige rituelen. En conform Vaticanum II een grote openheid voor andere godsdiensten en levensbeschouwingen, zelfs voor hen die de kerk vervolgen.

    Mijn oorspronkelijke religieuze interesse heeft zich alleen maar verdiept, maar tegelijkertijd ook verbreed. En daarmee ook opener gemaakt. In die zin zie ik mij dan ook als waarachtig orthodox katholiek, zij het op een liberale manier . De vraag hoe dat proces van min of meer fundamentalistisch naar open orthodox zich voltrokken heeft kan ik hier slechts globaal aangeven. Twee processen hebben daarbij een belangrijke rol gespeeld. Enerzijds mijn spirituele onderstroom die verdiept werd door de (verplichte) stille meditatiedagen en –weken tijdens mijn opleiding en daarna. Hier deed ik de steeds intenser wordende ervaring op van een alles overstijgende en alles doordringende liefde in de vorm van een goddelijk mededogen met mij en de hele wereld.
    Daarnaast raakte ik als gevolg van een fietsongeluk met zware whiplash (ik kon vrijwel niks meer) in een soort crisis en diepe eenzaamheid terecht. Via een intense Bio-Energeticatherapie kwam ik er weer bovenop. De ervaringen en inzichten uit die therapie confronteerden me met de diepte en heftigheid van de innerlijke psychische wereld (ook dromen speelden daarbij een rol). Toen de spirituele en psychische ervaringen min of meer bij elkaar kwamen, groeide in mij een diep verlangen naar een ruimere geloofsbeleving . Die vond ik buiten het pastoraat in het onderwijs. Zo mocht ik een tweede roeping vinden.
    April 2015 werd die nieuwe roeping bekroond met een proefschrift over de rol van roeping binnen het onderwijs. Dit onderzoek maakte de cirkel rond: tegenover de dominante instrumentele benadering in het onderwijs kon ik een ander paradigma plaatsen. Een meer hermeneutische benadering oftewel het sociaal-interpretatief paradigma.
    Binnen deze benadering krijgen diepere belevingen en gevoelens hun rechtmatige plaats terug: het wordt tijd om de betovering weer een plaats te geven in het onderwijs. Dat die betovering mijn leerlingen en mij bijna dagelijks ten deel valt, ervaar ik als een grote genade. Een genade die ik ieder mens van harte gun. Levend vanuit die genade hoef je niet naar Irak om God te vinden.”
    PS Al mijn leerlingen gaven aan dit een mooie tekst te vinden die ze prima vinden passen bij mij: ‘Doen, meneer’.

Leave a Reply