Aanraking (bij Markus 1: 40-45)

Jezus doet iets dat taboe is: hij raakt een man aan met een huidziekte. Het is niet duidelijk in de tekst of die zieke mens in afzondering leeft of niet. Melaatsheid is een besmettelijke huidziekte. Het was een bedreiging, zeker in een samenleving waar geen medische behandeling beschikbaar was. Wie een huidziekte had, stond buiten de samenleving, leefde in de marge.

Dat bestaan in de marge was met taboes omgeven: ‘als u wilt, kunt u mij rein maken,’ zegt de naamloze zieke. Rein is een gevaarlijk woord. Daarin klinkt het idee door dat melaatsheid niet alleen een lichamelijke aandoening is, maar op de een of andere manier te maken heeft met iemands innerlijk. Zoals we wel vaker geneigd zijn te denken dat we aan iemands uiterlijk kunnen afleiden hoe iemand in elkaar zit. En hoe afwijken van wat we ‘normaal’ vinden leidt tot uitsluiting, tot de overtuiging dat iemand niet alleen anders is, maar minder.

In maatschappelijke gesprekken over uitsluiting valt het me op we onszelf graag zichzelf ‘rein’ en ‘zuiver’ willen verklaren: ik doe niemand kwaad. Racisme heeft niet met mij te maken, ik doe dat niet. #Me Too gaat over anderen. Maar de vraag lijkt me eerder: laat je je raken? Kun je je laten raken door ervaringen met racisme en seksuele grensoverschrijding? En wat doet het vervolgens met ons dat die ervaringen er zijn?

Ik hou me bezig met onbetamelijke theologie. Dat gaat precies over wat we rein en wat we onrein verklaren. Het gaat over lichamelijkheid. Onbetamelijke theologie zegt: ook de ervaringen met en van ons lichaam doen er toe in de theologie. Alles wat ik meemaak, maak ik mee als dit lichaam. Alles wat ik heb meegemaakt is opgeslagen in dit lijf, het is erdoor getekend. Geraakt worden gaat via mijn lichaam, zoals ook uw lichaam betrokken is bij alles wat u doet. Je lichaam, de manier waarop jij beweegt, vertelt een verhaal, zonder woorden.

Daar komt bij: we hechten op allerlei manieren betekenis aan lichamen. Dat zorgt ervoor dat mensen worden buitengesloten. Jonge gladde lichamen worden geïdealiseerd, andere lichamen bespot of terzijde geschoven. Ze voldoen niet aan de norm, ze zijn niet normaal, ze bedreigen wat we normaal vinden. Onbetamelijke theologie daagt die norm uit. Niet om te choqueren of te stangen, hoewel het zeker ongemakkelijk kan zijn stil te staan bij lichamelijkheid. Het doel is niet dat iedereen ‘onbetamelijk’ wordt, maar dat zichtbaar wordt hoe mensen als ‘onbetamelijk’ ter zijde worden geschoven. Om zo ruimte maken.

Het is niet zo gek om aandacht te besteden aan het lichaam als christen. Het hart van onbetamelijke theologie is de incarnatie: God werd (niet lichaam, maar:) vlees. Lichaam is vlees waar betekenis aan is gehecht, vlees is nog basaler: lichaam zonder hokjes als het ware (‘In Christus is man noch vrouw’ – de tekst werd al verschillende keren geciteerd. God maakt deel uit van onze diverse, gekke, rommelige werkelijkheid. Dat betekent dat wij en al onze ervaringen er toe doen in de theologie. Theologie is lichamelijk. Jezus deelt zijn lichaam met wie maar wil, grenzeloos. Ook in deze tekst: Jezus kreeg medelijden, staat er. Het woord dat er staat wijst op lichamelijkheid van die ervaring: er gebeurde iets met zijn lever, zijn nieren.  Jezus is al geraakt, van binnen, voor hij die ander aanraakt. Werkelijke aanraking vraagt zulke lichamelijke sensitiviteit. Dat je je gewaar bent van wat er gebeurt bij jezelf en bij de ander. Iemand aanraken vraagt om het vermogen ook zelf geraakt te kunnen worden.

Deze tekst zet me aan het denken over aanraking en hoe we daar nu mee omgaan. Een filosoof vraagt zich af wat al die touchscreens doen met ons vermogen om aan te raken en aangeraakt te worden. Het is strelen zonder echte aanraking, en wat ik zelf merk: het is verstrooiing. Aanraking vraagt om oplettendheid en concentratie.

Wie worden er te weinig aangeraakt? Onze huid is ons grootste orgaan en liefdevolle aanraking is een levensbehoefte. Baby’s die te weinig worden aangeraakt, hebben als volwassenen minder weerstand. Als je te weinig aangeraakt, wordt krijgt je huid honger: huidhonger. Hooglied verwoordt enorm verlangen naar aanraking:

‘Mijn geliefde stak zijn hand reeds door de kier en mijn buik trilde door zijn aanraking’ (Hooglied).

Trouwens: erotisch is aanraking lang niet altijd, ook al wordt het in onze samenleving wel vaak zo gezien. Dat maakt ons huiverig elkaar aan te raken. We zijn denk ik geholpen bij meer gevoeligheid rond aanraking.

Hoe is het bijvoorbeeld met de mensen die vandaag in de marge leven omdat hun lichaam niet past binnen wat ‘we’ als ‘gewoon’ beschouwen? Wat gebeurt er met aanraakbaarheid van transgender mensen als ze op t.v. belachelijk gemaakt worden? Wat gebeurt er als je ziek bent. Dokters raken je aan. Dat is nodig omdat je ziek bent. Maar het kan je ook objectiveren, alsof je lichaam niet meer in de eerste plaats van jou is, maar van de dokters die het vooral functioneel aanraken.

De zieke man hunkert ernaar aangeraakt te worden. Jezus raakt hem aan en dat brengt het einde van diens marginalisering. Hij is heel en kan weer deelnemen aan het dagelijks leven. Soms is heling juist het omgekeerde: niet dat iemand ‘normaal’ wordt, maar dat we stil staan bij wat we als normaal beschouwen, dat uitdagen en op dat punt veranderen. Om te zorgen dat transgender personen mee kunnen doen, is het nodig dat wij veranderen. Zo is het ook bij de gesprekken over #Me Too. Daar gaat het over de vraag welke blikken en aanrakingen ‘normaal’ zijn en wie dat bepaalt.

De #Me Too-beweging is zo nodig omdat die onze gevoeligheid voor wederkerigheid kan vergroten. Sommigen klagen dat ze sinds Me Too niks meer mogen. Dat aanraking verdacht is geworden. Maar daar gaat #Me Too niet over. Als er niets gebeurt tegen iemands wil in, dis er niets aan de hand. Alleen aanraking gaat over wederkerigheid, aftasten en dus grenzen. Er is ongewenste aanraking, slordige aanraking, die alleen uit gaat van de behoefte van de aanraker. Aanraking vraagt lichamelijke sensitiviteit, dat je eerst zelf bent geraakt.

Hoe wil je aangeraakt worden? Hoe maak je dat kenbaar en aan wie? En wie raak jij aan, wat komt daarin van jezelf mee? Waar drong je jezelf aan een ander op? Waar drong iemand zich aan jou op? Het zijn kwetsbare vragen.

Mij intrigeert dat de opgestane Jezus tegen Maria zegt ‘raak me niet aan.’
In het Johannesevangelie staat dat verhaal over Maria van Magdala die de eerste getuige is van de opstanding. De kerkvaders braken er hun hoofd over. Het was een geliefd thema in schilderijen: Maria Magdalena liggend, Jezus die haar afhoudt. Het heeft nogal iets pijnlijks.

Soms moet je een geliefde loslaten, zeker. Jezus zelf is een voorbeeld van iemand met veel en wisselende contacten, door niemand ‘gevangen’, door velen aangeraakt en geraakt. Misschien zit daar ook een grens aan, en trekt Jezus die hier. Daarover gaat #Me Too: zelf bepalen of je aangeraakt wordt. In dit geval vraagt iemand om aangeraakt te worden. En Jezus, geraakt door degene, wil aanraken.  Er is trouwens nog een andere traditie, van onder andere ‘ongelovige Thomas’ die door de opgestane Jezus wordt uitgenodigd hem aan te raken. Om precies te zijn: de wonden. De tekst laat trouwens in het midden of die aanraking ook echt plaats vond. Er ontstond evengoed een rijke christelijke traditie rondom de kruiswonden van de Opgestane en het aanraken daarvan. Wonden werden een bron van heling: heelheid gaat niet over reinheid en perfectie. Het is eerder: in staat zijn om mee te doen, bereid zijn om geraakt te worden en je te verbinden.

In aanraking ontmoet je elkaar en bevestig je elkaar. Je raakt elkaar, je laat je raken, maar ben niet uitgeleverd aan die ander. Je verandert aan elkaar, maar dringt je niet op. Wij hebben Christus niet, en ook de ander niet. ‘Raak me niet aan,’ kan de ander altijd zeggen. Hoe groot je verlangen ook is om aan te raken: de ander is niet van jou. Je kunt aanraking niet opeisen, zoals je geraakt worden niet kunt opeisen. Het gebeurt, het is genade als zoiets gebeurt. We bezitten Christus niet, we bezitten elkaar niet. We kunnen deel worden van Christus en van elkaars leven, we kunnen delen in elkaars lichamelijkheid. We bezitten elkaar niet, we gaan relaties met elkaar aan. Waarin we elkaar raken, soms pijn doen, en elkaar kunnen helen.

Moge het zo zijn dat we elkaar raken, vinden en helen.

Preek bij Markus 1: 40-45, gehouden op 11 februari 2018 in de Diakonessenkerk in Arnhem. 

 

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *