Mozes de jihadist en de macht van Europeanen

Vorige week was ik even langs op het ROC waar ik een serie lessen heb gegeven over religie en racisme. Een van de leerlingen vertelde een verhaal, een slimme jongen met een baardje die graag de grenzen opzoekt. Laten we hem Firas noemen. Firas vertelde over een gesprek dat hij had gevoerd voor een stageplek. ‘Geef je vrouwen een hand?’ had zijn gesprekspartner gevraagd, ‘en ken je mensen die naar Syrië zijn gereisd?’ Waarop hij: ‘Mijn broeders zitten daar, in Syrië!’ Een klasgenoot, meteen er bovenop: ‘Idioot, dat zijn je broeders niet, die strijders in Syrië.’ Waarop Firas, heel kalm: dat heb ik natuurlijk niet echt gezegd.

Die stageplaats had hij evengoed niet gekregen.

Jongens als Firas worden tot vreemdeling gemaakt – ‘jij hoort hier niet’, krijgen ze in allerlei varianten te horen

Wat gebeurt er als we Mozes, de hoofdpersoon van dit verhaal, met diezelfde argusogen bekijken? Hij wordt opgevoed door de dochter van de Farao. Als ware hij haar eigen zoon, zegt de tekst, met een Egyptische naam, in de kleding van het hof. Maar op het eerste moment dat hij de kans krijgt, ontpopt hij zich als een van de slaven. Mozes, de geadopteerde Egyptenaar, identificeert zich met zijn afgebeulde broeders, de Hebreeën, en niet met zijn aangenomen Farao-familie, stand en positie. Hoe noemen wij dat, identificatie met de verkeerde groep, vanuit ons perspectief? Precies, Mozes begint te radicaliseren. Slaat er meteen zo een dood, zo’n kaffer.

Zijn broeders de Hebreeën staan ondertussen niet te juichen bij zijn Mozes’ coming out. Die vinden hem waarschijnlijk eerder een hypocriet die eerst zelf iemand dood slaat en hen op de vingers wijst.

Hij reist af naar Midjan, naar den vreemde, en maakt daar kennis met ene Ik ben die ik ben, die hem al gauw ronselt voor de jihad om de bevrijding van zijn broeders, die veel Egyptenaren het leven zal kosten. Dat is de weg van Mozes, die Hebreeër wil zijn.

Grappig is dat de zeven dochters van de priester van Midjan, bij de put, Mozes aanzien voor een Egyptenaar. Een subtiele aanwijzing dat over Mozes’ identiteit het laatste woord nog niet is gezegd. Moses (Mse) is Egyptisch voor zoon van, zoals in Ramses – Ra’mse – zoon van Ra, de zon. Mozes heeft een halve naam. Zoon van – maar van wat of wie, dat is de vraag die boven zijn leven zweeft.

Vluchten is een vervreemdende ervaring. Ergens thuis zijn betekent dat je jezelf niet steeds hoeft uit te leggen, omdat een hoop van wat jij bent, vindt, waardeert, en niet eens meer opmerkt omdat het zo vanzelfsprekend is, herkend wordt en begrepen. Als je vlucht, komt alles wat je over jezelf meende te weten als uniek en zelfstandig individu tussen haakjes te staan. Mozes’ verhaal begint met een vlucht in een mandje, nu is hij vluchteling in Midjan, en thuis zal hij van z’n leven niet meer komen.

In ons leven spelen verlangen naar thuis en verlangen naar het vreemde een rol. Beide kunnen heel aantrekkelijk lijken, en ook heel bedreigend. Het geordende, overzichtelijke, en veilige van een thuis hebben, en vinden doen we het nooit helemaal. Bovendien, dat zit je thuis, en voelt het opeens verstikkend, en trekt het nieuwe, onbekende van den vreemde.

Vreemdelingschap kunnen we simuleren – door te reizen. Het werkt alleen niet helemaal, want een echte vreemdeling worden we niet. Vakantie is prettig vreemdelingschap.

Rodaan al Galidi brengt dat merkwaardige vermogen van de Europeaan ongeveer overal in de wereld thuis te zijn onder woorden.** Hij noemt het de macht van de Westerling. Als wij weg van huis zijn, zijn er toch nog plekken waar het is zoals thuis, waar iemand met een witte huid en een Europees paspoort respect geniet en Starbucks kan drinken. Wij hoeven onszelf niet steeds uit te leggen. Wij zijn in een positie waarin we vreemdheid kunnen idealiseren, en zelfs voor een deel macht hebben te bepalen wie vreemd is en wie niet.

Firas en vluchtelingen staan aan de andere kant. Zij moeten zichzelf steeds uitleggen en verantwoorden. Vluchtelingen moeten een goed en geloofwaardig vluchtverhaal hebben. En dat verhaal moet je meteen kloppend opdienen. Zo objectiveert vluchteling-zijn. Je hebt geen anekdotes meer te vertellen over jezelf. Je moet onberispelijk leven, ongeacht de maanden of jaren die je doorbrengt in opvang. Zoals Mozes heb je een halve identiteit. Je was Irakees, Syrische, Somalische. Iets nieuws kan zich nog niet ontwikkelen, behalve dan het semi-bestaan van het AZC waar je leven voorlopig in de wacht staat.

In Midjan gaat men overigens anders met vreemdelingen om. Daar trouw je gewoon met de dochter van de priester. Je kind noem je Gershon, want je weet wel dat je een vluchteling bent, maar je hebt een plek om te landen.

De vraag aan ons is eerder die naar hoe we ons thuis inrichten dan over vluchtelingenschap. Wij zijn eerder Egypte, de vreemdelingmakers van deze tekst, dan Mozes. Of misschien zijn we Midjan, maar dan met minder waterputten.

Behalve: vluchten doen wij denk ik ook.

We vluchten niet zozeer voor bedreigingen buiten ons, maar voor wat er in ons is. Omdat we leven in een samenleving die voor ons innerlijk niet altijd veel ruimte biedt. Je moet snel, hard, slim, grappig, mooi etc. De maatschappij biedt sommigen van ons te weinig ruimte.

Niet gek dus dat onze samenleving is ingericht op het faciliteren van de vlucht. We hebben het kennelijk steeds verdiend, zijn er altijd aan toe, en zijn het ook waard: vakantie, een nieuw kledingstuk, lekker eten, jezelf even verwennen. Soms lijkt het alsof we bestaan niet in ons innerlijk, ons vermogen te verbinden, te zijn en te landen, maar in dat vluchten. Zo verwijderen we ons van onszelf, zijn niet meer in staat onszelf een thuis te bieden. Dat kan ver gaan, in heftige verslaving, depressies.

De overlap tussen het vluchten van de vluchteling en ons eigen vluchten zit in de knagende twijfel over wie je altijd dacht te zijn, of wilde zijn, en die wij in eigen vormen ook kennen, en ontlopen door onze verfijnde vormen van vluchten.

In welke bochten wringen we ons om ons onszelf van het lijf te houden?

In de Veertigdagentijd doe ik pogingen om mezelf uit die laagjes van vluchten tevoorschijn te toveren. Het is een interessante tocht. Ik heb afgelopen jaren gevast op allerlei etenswaar, maar ook op stress, op woede, op koopgedrag. Dit jaar vast ik op pleasend gedrag.

Vasten kan bevrijdend zijn, doordat je je onttrekt aan een hoop schijnbare noodzakelijkheid. Bevrijdend is geloof ik te ontdekken dat er onder die laagjes een ik is dat niet vastomlijnd is, en toch vaste grond biedt. Het laat zich soms vinden in thuis komen en soms in vervreemding.

Ik geloof dat ik ook andere, tegenstrijdigere dingen ontdek. De Protestant in mij vlucht graag in de verheerlijking van het vreemdelingschap. Ik zing dat lied dus heel graag – Gij maakt mij steeds meer vreemdeling. Ontvreemdt gij mij dan ding voor ding, al ’t oude en vertrouwde.*** Het is geruststellend: de ervaring van vervreemding is misschien wel een religieuze. Ik vraag het me alleen af, in mijn situatie. Dat vasten gaat soms iets te lekker.

Voor je het weet wordt het ook iets van een vlucht, tanden op elkaar, lekker afzien, voorbijgaand aan jezelf. Het wordt een rigide, vastomlijnde identiteit, die van je vraagt dat je scherpe grenzen stelt, met trekken van een pantser en een dwangbuis.

Dan gaan de echte vragen van vasten, voor mij, en misschien ook voor u, over kiezen en over thuis. Je kunt tenslotte ook vluchten in het niet -kiezen van een identiteit. Dan kun je oneindig naar jezelf op zoek, en in al dat zoeken vaste grond verliezen.

Het is nogal dapper – vind ik – om in de veelheid van wat je allemaal zou kunnen en willen zijn keuzes te maken. Wat Mozes trouwens met vallen en opstaan wel doet. Een Hebreeër wil hij zijn, een vreemdeling blijft hij desondanks altijd.

Jawel, de ervaring van vervreemding kan een religieuze zijn. Maar je een thuis inrichten en keuzes maken die je bij jezelf brengen zijn dat ook. Bevrijdend voor ons is misschien vooral dat we niet ver op reis hoeven om onszelf te vinden.

En ook: dat we onze macht onder ogen zien en aanwenden om die ontwortelden een landingsplek te bieden. Mozes, Firas en al die anderen.

 

*) Overweging uitgesproken in de Dominicus, zondag 6 maart 2016.

 

**) In de dienst zijn fragementen gelezen uit Rodaan al Galidi, ‘Hoe ik talent voor het leven kreeg’:                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                              Rodaan is Irak ontvlucht, en op zijn tocht naar Europa komt hij in Bangkok terecht gekomen. Hij maakt er kennis met westerse toeristen.

 ‘Na een paar dagen in verlaten hoekjes slapen, vond ik mezelf weer in Khao San Road. Dat was fijn. Hoe meer westerse toeristen, hoe minder politie en controle. Vooral na mijn ervaring bij de Maleisische grens verbaasde die macht mij, de macht die Europa had.

Ik praatte met vele westerse toeristen om hun macht te begrijpen, maar ik ontdekte dat de meesten op reis waren om zichzelf te vinden, zoals een van het het formuleerde. Dat klonk raar. Een mens die zichzelf moest vinden? Had hij het ergens verloren? En als hij op reis was om zichzelf te vinden, waar kwam dan die macht vandaan, dat iedereen respect voor hen had, terwijl ik alleen mijn lichaam wilde beschermen tegen Saddam Hoessein en nergens respect kreeg. [..]

Ik herinner me een van die reizigers, laten we hem Oscar noemen. Hij was een jaar of dertig en zat op het terras bier te drinken en na te denken over welk restaurant hij zou kiezen voor de lunch of het diner. Hij werd vaak vergezeld door twee Duitse meiden en een blonde Deen en ik ging regelmatig bij ze zitten om te pauzeren van mijn angst voor de politie, want bij hun tafel kwamen er geen agenten langs en als ze wel kwamen, liepen ze zonder op of om te kijken weer door. Oscar vond dat alle mensen gelijk zijn en dat grenzen, visa, paspoorten en geld geannuleerd moesten worden, zodat de wereld van iedereen werd. […]

Elke keer luisterde ik bij hen naar dezelfde les van Oscar. Mensen waarden gelijk.

‘Jij en ik ook,’ zei hij.

‘Het spijt me, maar jij en ik zijn niet gelijk en zullen nooit gelijk zijn,’ bracht ik in.

‘Wel, wel,’ bracht hij in. ‘We zijn allebei mensen. Jij een mens, ik een mens.’

‘Mooi wat je zegt,’ zei een van de Duitse meisjes. […]

Zo luisterde ik urenlang naar de bijzondere filosofieën van westerlingen om maar niet door de politie gecontroleerd te worden.

*** ‘Waarom moest ik uw stem verstaan?’, lied 484 uit het Liedboek voor de Kerken (1973):

Waarom moest ik uw stem verstaan?
Waarom, Heer moet ik tot U gaan
zo ongewende paden?
Waarom bracht Gij
die onrust mij
in ‘t bloed is dat genade?
Gij maakt mij steeds meer vreemdeling.
Ontvreemdt Ge mij dan, ding voor ding,
al ‘t oude en vertrouwde?
O blinde schrik,
mijn God, mag ik
niet eens mijzelf behouden?

 

 

 

 

 

 

 

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *